De dag was voor mij in Brussel gestart, in de vroegte nog. Ik liep van de bioscoop, in het noorden, waar tegenwoordig schijnbaar alleen nog Mission : impossible werd vertoond, zuidwaarts, enigszins bergop. Ik liep zo de catacomben van Brussel-Centraal binnen, waar bedelaars en daklozen zaten.
Veel geld had ik niet meer. Ik had de vorige dag zowat mijn laatste geld besteed aan een slaapzak, want ik begreep dat ik voortaan op straat moest slapen. Van het treinstation liep ik naar het oude Justitiepaleis, waar tegenwoordig geen rechtbanken meer ondergebracht waren, maar waar alleen nog een mysterieus labyrint van overbleef, gevuld met vergeten dossiers en zoemende, lege vergaderzalen. Ik kwam in een portiek, die, net als de hoofdingang, gewijd was aan de godin Pallas, en liep langs een trappenpartij naar de eerste verdieping, waar ik een standbeeld van Ulpianus zag, een Romeins rechtsgeleerde.
Ik klopte op een bronzen poort, maar in plaats van dat er een verdwaald advocaat antwoorden zou, draaide de reusachtige poort traagjes open, zonder het minste geluid.
De gangen en zalen combineerden zich tot een labyrint.
Ik liep onder de pijlers van het oude Justitiepaleis, diep ondergronds, maar nog net boven de zeespiegel, aangezien het paleis bijna een hele heuvel in beslag nam, waar ik onderwijl stiekem binnen geglipt was. Bij een van de zijingangen, die zich op verschillende niveaus bevonden, omdat het paleis in een hellend vlak was gebouwd, stond een placarde.
Op de placarde stond een plattegrond, maar was niet meer leesbaar.
Een reusachtig eclectisch gebouw dat veel kritiek onderging, door sommigen een gedrocht en misbaksel genoemd. Want sommige gangen eindigden op een deur, waarbij, als je deze opende, dit gewoon uitgaf op een dichtgemetselde muur, alsof er geheime doelen werden gediend, die al dan niet werkelijkheid waren geworden, zij het nu in het verleden, of in een niet nader bepaalde toekomst.
Eigenlijk wist niemand hoe dit paleis er vanbinnen werkelijk uitzag. Als locatie voor het paleis werd de vroegere Galgenberg uitgekozen, waar eertijds misdadigers opgehangen werden. De 'chief architect' van dit gebouw was, in de woorden van de plaatselijke bevolking, een 'schieven tist'.
Het was alsof er voortdurend een gekostumeerd bal op beginnen stond, waarin een fantoom, van de Brusselse Opera, de plek onveilig maakte, of een Guy Fawkes tonnen met buskruit in de kelder had gerold.
Getuige hiervan de gehangenen, die mij aan het schrikken brachten, en die in een luisterrijke zaal meedogenloos opgeknoopt waren. Ik zag geen bekenden van mij. Getuige hiervan ook de met roet en rook besmeurde wanden van de reusachtige toiletten, waarin ik hoogdringend een plasje ging maken. De majestuositeit van het Justitiepaleis bracht mij aan het duizelen.
Ik vond het allemaal een beetje akelig. Momenteel liep ik doorheen iets, wat een balletzaal moest zijn geweest. Er was een houten reling, waaraan ik een plié maakte, en er waren spiegels, die tot aan het plafond reikten, maar die mat aan de randen waren.
Het was zowat onmogelijk een wereldrecord zeepbellen blazen te controleren op haar echtheid en geslaagdheid.
't Ging hier over de verschijnselen van de Planeet, dacht ik, in welke vorm of met welke denkfout deze ook opduiken wilden. Ik schreef nog een hoofdstuk over hongerige wolven, en gaf er dan, voor die dag, de brui aan. De volgende dag zou ik wel weer iets nieuws verzinnen.
