Sunday, March 10, 2024





Ik denk terug aan die zwerm spreeuwen boven ons een poosje geleden. Mijn klankentapper hunkert, om ook zo’n draak niet te storen in zijn nesten, naar een bed van Athenestenen en Gallisch stuifmeel, tussen hazelaars en brousse, naar een relaas over Wolvens wraakroepende Dr. Martens.


*


[Maar] de waarden van mijn cultuur kunnen niet samen geïmplementeerd worden en intact gehouden worden. Een heel grote proportie van mijn handelingen bestaat uit compromissen waarin het gedeeltelijke of fragmentaire redden van een waarde plaatsvindt ten koste van het vollédig redden ervan, en dit verlies vindt plaats teneinde gedeeltelijk een ándere waarde te redden. Dagelijks leven wordt samengesteld uit zo’n schikkingen. (Kolakowski)

De graad van acceptabiliteit van een compromis – de breedte van het mogelijke opgeven van een gedeeltelijke actualisering van een waarde in het belang van een andere waarde – wordt niet duidelijk gedefinieerd door de normen van mijn cultuur. (Kolakowski)

 

De terechte nood aan mythes geplaatst versus een geldige zelfverdediging tegen de dreiging van mythes [die gevaar propageren], is een botsing die het gevoelige gebied van onze beschaving laat zien, het vergiftigde weefsel ervan en de beschamende ziekte ervan.  

 

[I]n zoverre het succes oplevert, wordt het ontvluchten van mythes een capitulatie onder druk van onmiddellijke feiten, het wordt het goedkeuren van onophoudelijke distracties, een aanvaarding van een leven dat zomaar wat voortstroomt in een opeenvolging van gebeurtenissen waarvan elk op zich uitputtend is en die tezamen naar niets verwijzen.

 

Het ontvluchten van mythes is de angst in het gezicht van het onderzoek naar de toevalligheid van de wereld en het zoekt manieren om die angst te dempen; evenmin is zo’n ontvluchten vrij van bedrog.

 

Het vaakst is het zoéken naar mythes daarentegen een poging een autoriteit te vinden die voor ons zorgt en die op makkelijkere wijze omgaat met ultieme vragen, ons uitrust met stabiele waarden-hiërarchieën, ons omringt met een dicht struikgewas van wegwijzers, ons ontlast van [een onverdraaglijke] vrijheid, ons opnieuw omwikkelt met de cocoon van een kindertijd, en onze luie nood aan onderdanigheid bevredigt; maar een bevrediging die op deze manier wordt gerealiseerd is ook niet vrij van bedrog.

 

Is het mogelijk voor een mythe om te functioneren in zijn sociaal-onmisbare functie zonder enige dreiging van mythologische angst? En, analoog, kan er een houding zijn die toestemt in de deelname aan een mythisch gedefinieerde, humane fellowship zonder deze deelname te gebruiken als een excuus om verantwoordelijkheid voor ons leven uit de weg te gaan?

 

Ten eerste, het is haast onmogelijk een mythe effectief te programmeren en tegelijk uit te blijven gaan van de instrumentele waarde ervan; het is onmogelijk een mythe te decreteren. Ten tweede, de inhoud van mythes kan niet garanties insluiten tegen interpretaties die hen zou veranderen in organen van repressie en despotisme

 

(Kolakowski)


*


Misschien komt er dan een T-rex met de roepnaam Jupiter terug aan de leiding van de draken te staan. Je weet nooit. Maar dat moet ie dan wel eerst verdienen. Zijn gebrul en geschreeuw in de moerassen of savanne wordt dan een ode aan de woestheid en de wildernis van de natuur, die zichzelf altijd zal zien te redden, indien nodig ten koste van die mier, die luis in haar vacht : de mens. Graaauwl. Daarom onze waarschuwing uit een ver vervlogen verleden. Met enige fantasie.


*


Als men zegt ‘Springt de haas over het hek ?’ dan gebruikt men fonetische, lexicale en grammaticale conventies om iets te zeggen. De uitvoering van deze handelswijze is louter de uitvoering van een locutie, de act van het zeggen van iets. In het aangehaalde voorbeeld komt daar echter nog iets bij. Het stellen van een vraag is immers ook een voorbeeld van een illocutionaire act.

Net als het maken van een bewering trouwens, het geven van een bevel of het maken van een belofte. Zo lezen we in How to do things with words :

Surely to state is every bit as much to perform an illocutionary act as, say, to warn or to pronounce. (…) Consider such an unexceptionable remark as the following :

In saying that it was raining, I was not betting or arguing or warning : I was simply stating it as a fact.[1]



[1] Austin John Langshaw, Urmson J.O., Sbisa Marina, How to do things with words. Harvard University Press, 1975, p.134.


*


Dit wekte mijn nieuwsgierigheid. Wise kon met de dieren praten? Het mantelbeestje ging in een geopende patrijspoort zitten, ik begreep niet meteen waarover dit diertje, onze correspondante sauvage zo enthousiast schetteren wilde. Werkelijk, over jongens en meisjes? En waarom? Waren de meeuwen verstaanbaar, nu mijn vertellen zo’n portie in beslag neemt dat het quasi wachten is op een koor van engelen om een tranen van lachen in mijn ogen te krijgen, of om een barbaars afschudden van hangende sneeuw te herleiden tot een storm van redenen om nog iets roerends uit een rollende Instagram-thread tevoorschijn te snuffelen? Iets roerends.


 *


Ottertroon entertains en helpt ons om topics van blijvend belang beter te begrijpen. Tegelijk ontsnappen we in een andere wereld, te weten die waar de vraag naar hoe we moeten denken, beelden opgeplakt krijgt, die ons troosten en die ons tastbare boeien aan de hand doen.

- Boeien in de zee van het onvoorstelbare, waaraan we ons kunnen vasthouden bij het beantwoorden van die onderhavige vraag, doordat onze fantasie geactiveerd wordt en er tastbare gewaarwordingen worden opgeroepen.

Maar omdat er een happy end is, zijn we toch opgetogen het allemaal meegemaakt te hebben en begrijpen we voortaan bij onszelf beter hoe we pijn, gemis of verdriet mogen benaderen. En dan blijkt dat de rit hiernaartoe ook niet zonder waarde, vooruitzichten, genoegen en voldoening was.


*


Zo groeide er een zeldzaam zichtbare flower tussen de rotsen, niet zoals je verwachten zou groen of van de categorie alg en wier, maar geel en haar stengel als een polsstok uit de zwarte rotsen uitschietend, haar stempel verrassend sterk en stevig, de drab tussen de rotsen die schijnbaar op deze wijze een koude kilt of een verrafelde sjaal nabootste, om de opmerkelijk bloem met slijm en smurrie te beschermen tegen de koude van het water en de slag van de branding – zo groeide er deze bloem tussen de rotsen en Crib de visser zei…

‘Dit is de zeldzame Morrency Chama, een bloem die alleen hier groeit – als je even rondzoekt, zal je er nog meer vinden... Ja, nu zijn dit bloemen, maar in de winter zijn het onze gedachten... Die transformatie ondergaat deze gele elite in de winter ieder jaar, indien ze al de storm en de branding overleven...’





Mijn papieren hier voor mij spreken gewoon van onnozelheden, van Bobby McGee – op de radio vlak vóor Glory Box van Portishead, top 1000 van Studio Brussel, ze moeten nu aan ongeveer n° 600 zitten, geloof ik – en van andere caravanzaken waar iemand met een aanleg voor het niet willen missen van dingen – schaduwen van uren, het opeten van achterdochtige kalkoenen, het denkbeeldige berijden van hinnikende paarden in winterse sneeuw (omdat ze in de verte een rookkolom aan de horizon zien opstijgen), internetslaapwandelen, in bladerdeeggebak kruipen als een baby in Bethlehem, uit marsepein gesneden engelen – kortom waar zo iemand dus over in snikken zou uitbarsten, ware het niet dat het er het jaargetijde voor is. Zou ik liever samenstromen op de klanken van een gehuurd orkest, denk ik dan? Sommigen vinden het makkelijker iets over het bestaan te weten te komen in andere jaargetijden dan tijdens Yuletide. Ze beloven bedrog te bannen en verzoening uit te lokken. Zo zie je thans duidelijk hoe mechanismen zijn, en hoe we ze gebruiken. Alles is een ontgoocheling zo lijkt het soms wel. De dag dat we van champagneglazen kristallen torens maken is upon us. De dag dat verliefde mensen me in de steek laten is de dag dat ik eraan gewend raak om met slaande armen een potsierlijke verlegenheid te verbergen en iets af te wimpelen dat vervaagt in de tijd, maar die dag lag al eens in mijn verleden en herhaalt zich nu zelfs nóg. Wat het leven nog in petto voor me heeft, schermt zich af van publiciteit maar daar lijkt mijn medeplichtigheid aan de toekomst dan weer mee overhoop te liggen. We zullen het feest voortzetten, maar voor welk altaar? Waarom staan de meeste tempels in smerig water vandaag? Waarom blijft er een nieuwe angstloze nacht op ruw zeewater uit, onderweg naar Londen? Waarom vragen er obers om de wil tot leven te temmen als een muilezel en dichterbij te komen bij wat de jongeren onder ons iedere minuut lijken te verwezenlijken, zij het zonder het aan te raken, en dat met een overwoestbare glimlach en onderwijl iedereen bezig het goede voorbeeld te geven. Elke kamer afzonderlijk die ik in mijn verbeelding betreed, lijkt wel bezet door schrijvers die Amnesia roken en toch word ik niet getroffen door angst. Het zou volstrekt begrijpelijk zijn. Mollige kalenders liggen al in de lade om een nieuwe monotonie te beginnen, zonder een mogelijkheid naar New York City te liften, per boot, per auto. Verhalen vechten tijdens de dageraad tussen slaap en gebrekkige manuscripten, gebogen over de vraag hoeveel nieuwe verrassende ontdekkingen er elke dag nodig zijn om de zandkorrels uit de machine van de vrijheid te verwijderen en dan verzaligd tussen de tandwielen in te slapen.


PS   

'Il-hovercraft tiegħi hu mimli sallur.’ = mijn hovercraft zit vol met alen

‘Tinkwetax, se jħallas is-sinjura ta' kollox.’ = geen zorgen, deze juffrouw zal alles betalen


Schoonheid stoort zich niet aan begrip.



[uit: Hey Dummy.]

 



Dan herinnerde het risico op overuren en het risico ontmoedigd te raken door het labyrint van de mensenwereld zeker aan een universele, voor ons stervelingen gesloten reden om de mens zover te brengen dat-ie het beste van zichzelf wil geven, zeker waar dat communicatie en het aan elkaar uitdrukken van onze wensen aangaande de rol die we in de wereld spelen, betreft. –

*

Zouden boefjes en bliksemstraaltjes zich nog bezighouden met binnenwaaiende berkenbladeren in een huiskamer op het ogenblik dat zo’n brief eindelijk arriveert, alweer naar een niet zelden niet-geoorloofd obstakel, zodra de hooggewaardeerde parallelhandeling van schrijven en lezen haar vervulling krijgt, op dat ogenblik zijn we allebei, verzender en ontvanger, gelijk voor een wet.

 


De gedichten in We are the Borg zijn iconen, misschien louter terwille van de oprichting ervan. Het zijn ook prisma’s, gemaakt van afgebakende en verbeeldingsrijke verzen.

BORG

Betekent liefde een elegische slagwisseling op het gravel van Roland Garros? Is er een postmodern, cybernetisch gevaar dat de dichter tegen zich in het harnas tracht te jagen?

Misschien verkeren velen van ons in stasis bij het lezen van gedichten. Beelden die ons iedere dag confronteren, lijken nutteloos en verloren zonder de vormende con-sensus van een COLLECTIEF – dat de werkelijkheid is. Het is de taak van een dichter transceivers weer aan elkaar te verbinden.

Aan de hand van OESJABTI’S – grafbeeldjes – gaat We are the Borg ernaar op zoek of er een één-op-één verhouding bestaat tussen werkelijkheid en taal.

 https://www.facebook.com/share/v/19iVZT8Uiy/