Denkende over het zijn is een zijn, dit zijn noemen we Da-sein.
Da-sein IS in such a way that, by being, it understands something like being. Remembering this connection, we must show that TIME is that from which Da-sein tacitly understands and interprets something like being at all. Time must be brought to light and genuinely grasped as the horizon of every understanding and interpretation of being. For this to become clear we need an ORIGINAL EXPLICATION OF TIME AS THE HORIZON OF THE UNDERSTANDING OF BEING, IN TERMS OF TEMPORALITY AS THE BEING OF DA-SEIN WHICH UNDERSTANDS BEING.
We must thereby make clear that and in what way the common understanding of time in general originate[s] from temporality. In this way the common concept of time receives again its rightful autonomy - contrary to Bergson's thesis that time understood in the common way is really space.
steampunk –
U vraagt naar al die sterren
in mijn laarzen, gat waarin
ik stilsta, holtes in de lucht.
Me dit inprenten geeft een knal
alsof ik een geluidsmuur breek.
Ik ben gemaakt in zwarte materie
de zegen, een vragenstel en ik zie
de gave ervan niet langer.
En al ben ik zo wars van
de vuige straten: ik kraak
Uw kern van olijven die van
wetten dromen bij de pizza
‘s avonds, na het werk – ik
wil ontpitten, in een grassteppe
vol plompe dikke vingers alsof
ík koorts heb of waterzucht. Er
is geen rivier in m’n showroom
en, driest van naam veranderen
is me ook niet gegeven. Ik schil
appels in dit paradijs, waarin ik
de groene deuren laat sluiten, ik
wens zo’n fee, die me het lopen
leert in een trillen: ik zal komen.
Conoscermi come sono
-
-
Die pauw was geen klein opdondertje. ’t Moest al jaren geleden zijn dat ik nog een pauw gezien had, maar deze kerel was een reus. En het beest schreeuwde: pleja – pleja.
Het beest tippelde rond alsof hij in een of ander koninkrijk van de Volmaakte Vrede zat. Maar pauwen waren iconoclasten, ze konden het niet verdragen als er afgodsbeelden voor een andere schoonheid dan hun eigen opgericht werden.
Aan de lopende band.
Ik merkte dat ik een lopende neus had, tenminste toen ik met Susan di Pietra haar ouderlijke woning binnenliep. Het was me niet opgevallen dat er winter in de lucht zat. Het was koud, maar zonder te vriezen. Het had nog geen enkele keer gevroren dit najaar. Toen begon het ineens te sneeuwen. De pauw droeg een waaier aan zijn gat die groter was dan enig illusionist of geisha ooit zou kunnen ontvouwen voor een publiek of westers meester.
Die pauw was een paus. Hij had radioactieve kleuren, een wolk van origami die je met een vliegenmepper kon stuiten noch sluiten. Het beest kermde en kweelde als The Pogues in hun beste jaren.
Dit was jaren voor ik op een blauwe maandag ineens Mieke aantrof aan de toog van café de Monk in Antwerpen. Ik vroeg bijna of zij echt Mieke was – om een of andere reden kon ik mijn ogen en verstand niet geloven. Ze wist natuurlijk wie ik was. We hadden elkaar toch in Andorra gezien.
Ik kwam uit mijn ivoren toren, en vroeg Mieke of ik haar om een date mocht vragen. Ik gaf haar de ruiker rode rozen. Ze knikte. Die date met mijn Mieke ging goed, de rest is geschiedenis.
Maar ik dwaal af.
De tuin van de pauw van Susan, hoorde bij een proletariaatswoning in Stabroek waar Toni de Visboer woonde. Samen met zijn dochter Susan, aangezien haar moeder vijf jaar geleden, helaas, van ons heengegaan was. Toni di Pietra was 'allochtoon' Italiaan van de tweede generatie. De viswagen van vader Toni stond niet altijd in de tuin, maar heden wel.
De visvracht leek wel een caravan, een woonwagen en wanneer die geparkeerd stond, zou je verwachten dat een Agrippa Menenius een preek wilde afsteken over hoe een maag zich voedde met wat het brein aan zo’n onderhavig voedselverwerkend orgaan beval.
Als de plebejers hun revolte tegen de maag van de Senaat volhielden, zou het hele lichaam van Rome uiteindelijk het loodje leggen. De maag zendt doorheen de bloedstroom nutriënten naar alle andere lichaamsdelen. Smaak van vis kwam in mijn mond.
Susan leerde haar eigen boontjes doppen zonder een moeder. Opmerkelijk dat er niet diepere bandensporen te zien waren in de tuin. Zo’n visauto sleurde toch een gewicht met zich mee en het ding moest zeker uitzonderlijke manoeuvres maken om op een juiste plaats komen te staan. Je moest wat doen om correct te parkeren, met zo’n trailer die niet leek te eindigen.
Die trailer, in verhouding tot de trekcabine, was een koning zonder machinist. Je moest er blindelings lijnen voor uitzetten. De vissen lagen erbij in hun koeletalage als sprotten op een rooster. In de zomer werd er natuurlijk gebarbecued in de tuin, zei Susan. Er werd dan gesmuld van karpers en van rolmops met boter erbij. Een visboer verkocht vis.
‘t Ik van een vis was erg groot. Het dier had geen voornaam en achternaam zoals mensen dat hadden. Vissen gleden bedwelmd door het water van de oceanen, maar ze keken zo alwetend zijwaarts uit hun ogen. Ze kenden geen regen en wind.
Vissen vormden samen een eindeloos biosysteem van getuigenissen van moord en voorbedachte rade. Ze wisten op de loop te gaan voor een zwaardvis. Ze drukten hun snoet tegen het venster van Poseidon. Raakte je aan een van hen, dan was dat een verwaarloosbaar verlies, maar ze waren geen offer op een broodplank. Ze hielden van citroen en ijs. Ze bleven extra lang. Ze waren het geheugen van de zee. Ze waren betrouwbaar. Vissen waren sons of bitches. Ze ademden waar jij dat niet kon. Ze trokken nooit lijntjes in een zwembad.
Alles liep gesmeerd in het water. De wadpieren in het natte zand van het strand waren niet echt bondgenoten van de Noordzeevis. In zo’n tandpastahoopjes wist je wat vissen in hun schild voerden, wat ze in hun mars hadden. Als het eb was tenminste.
Vissen spraken hier en daar Creools en verzamelden zich rond een site en voodooceremonie, alsof ze in het geniep een Haïtiaanse slavenopstand planden. De meeste vissen waren Stevie Wonder, maar dan zonder donkere bril. Ze vinden. Ze visten achter een net van ogen die niet begrepen hoe eindeloos de zee was. Ik was niet bijgelovig, maar ik begreep dat vissen net als ruimteshuttles waren. Het waren Dalida’s. Ze zongen over een Gigi l’Amoroso. Vissen vertelden je iets bij het slapengaan.
Als je goed luisterde, gingen ze weer weg, de vissen. Daarom waren het meesters in de retorica, al spraken ze alleen in het Latijn en indien je wist dat je verliefd was. Ze torsten een enorm gewicht van water op hun rug. Ze verenigden hun krachten bij het minste onraad. Ze spraken met hashtags.
Vissen worstelden met koude, want water werd niet warmer dan een koelkast, omdat het zo makkelijk in beweging kwam. Dit eindigde in tranen. Ze kregen dan bevelen van Siri, een nimf en app die hen door een hoepel van negligentie liet zwemmen. Ze waren naakt en zonder négligé. Altijd vochtig.
Je keek naar Toni’s visauto. Nu lagen die vissen in een rij met opengesperde mond en zielige ogen. Hun schubben glinsterden nog in een voorraad zout om zich los te wroeten als je even niet keek. Ik stelde me Susan di Pietra ineens naakt voor. Als een inktvis.
Zelfs in de maag brak een echt Ichtus zijn gelederen niet. Dan nog managede een vis zijn taken. Een vis gaf zijn of haar toplui de opdracht een oplossing te verzinnen voor die dobbers in het water, waaraan van die vreselijke haakjes zaten.
Vissen veranderden om de haverklap hun status, bestudeerden een deadline. Ze waren een Captain America. Ze waren de geloofsgemeenschap van een Baptistenkerk. Het was altijd lastig een file te attachen aan hun vinnen. Ja, die visauto.
Opvallend genoeg droeg Susan een tropenhelm toen ik haar zag, zo’n ding van vilt en hard stro. Ze vroeg : ‘Weet je mijn geheime naam ?’
‘Nee,’ zei ik. Naar waarheid.
‘Livingstone,’ zei ze.
Nou, ze heette dan ook Susan di Pietra. Ik was blij te horen dat het een levende kassei was waarin ze woonde. Maar in kasseien vond je geen fossiel van een prehistorisch vis, zelfs niet als de vis op een dag aan land kroop.
Ik kon Susan niet doorgronden. Haar vissen zwommen in een constante staat van verdoving. Dat was omdat ze Poseidon gehoorzaamden. Ik dacht nog aan vissen zie je, waarvan de geur nu uit die visauto mijn neusgaten bereikte. Nu pas merkte ik de plastic wc-borstel op. Die stond in een zalmroze kuipje naast de visauto van meerschuim, op het gazon van de woning van Susans vader. Ik dacht aan het Prosper & Gambit van een onderwaterbeschaving, de offers die gevlekte grieten – vissen – maakten met een pion, waar geen tegenzet voor te bedenken was. Ik speelde soms het schaakspel met Susan. Gevlekte grieten waren tarbots. Tarbots waren platvissen en ze hadden een leider, genaamd Prosper Kabeljauw. Ik miste een determinatiesleutel om in Susans Atlantische Oceaan harders van haaien te onderscheiden. Net toen klauterde Susan di Pietra de visauto in en schakelde een transistorradio aan. No Woman, No Cry, weerklonk er luid. Ik vroeg me af waarom. In zo’n plotseling heden zou je zowaar het verleden vergeten. Prosper Kabeljauw was de bons van een vissenschool die naar het Maximiliaanpark in Brussel trachtte te zwemmen, omdat het water van de Noordzee zodanig steeg, dat je als vluchteling nu eenmaal een geschikt onderkomen zocht. Het lijk van Prosper Kabeljauw lag nu helaas in die visauto. Die visauto stond op het gazon.
‘Zullen we straks seks hebben ?’ vroeg Susan ineens doodleuk.
Ik probeerde niet eens naar haar werkelijke leeftijd te vragen. Ik verwonderde me niet eens over de gekunstelde manier waarop Susan dat bronstige aan me vroeg. ‘Is je vader dan niet thuis ?’ vroeg ik.
‘We hebben wel een uurtje of twee voor hij terugkomt,’ zei Susan.
Ze haalde een scrabblespel uit een kast in de visauto. Nu zag ik in het groot Fish en Pesce op de viswagen staan. Later vernam ik dat Susans moeder Branchia heette. ‘Noemde je vader je ooit Conchiglia?’ wilde ik Susan vragen, maar zij begon al plastic letters uit haar doos te halen en ze schijnbaar voor de fun aaneen te leggen. Ik keek toe hoe ze in de doos scharrelde en uiteindelijk het woord 'multinational legde.' Dat vond ik best vreemd.
‘Nu kunnen we beginnen,’ zei Susan.
Susan begon een heleboel laag gewaarde a’s bloot te leggen. Zo op het eerste zicht kreeg ik er kop noch staart aan. We zaten achter de toonbank van de viswagen, ieder op een kruk.-
No comments:
Post a Comment