De borstels van de bomen op de eindige lange Japanse helling weten de sneeuw van hun takken niet te verdwijnen, verblind in de scherpe lucht, een spoor van een eggende reus die uit de rode pagode is gekropen en nog enkele daken meebrengt in zijn spoor, maar niet zo ros, roest of ruber. Spokend, de piek van mijn verdriet dat de winter de zon laat branden, is een antenne die geen radio ontvangt maar geheimen en gebeden. Niettemin, mijn voet is koud en staat in sneeuw, een eeuw van onzichtbaarheid. Hier kom je niet weg met korsten die beginnen aan mijn hand en mijn lichaam afdalen, omhoog de heuvel op. Stronken en stammen - je zou ze haast vergeten - gaan verticaal in slagorde het opbollende sneeuwlaken van mijn haakwerk in. Slierten van wolken in de barstblauwe lucht zijn een teken van rook van een vuur dat niet bestaat, want mijn ogen sterven in jouw helling. Wat ligt er hoger nog dan mijn toren, aan de andere kant van de kim waar reuzen sterven? Kan je me zien? Waarom zijn er zwarte groeven, een raster van zwarte sterren, een rits van steenkool in mijn borst van jou, Adonis? U bent zo blank en wit voor de rest, boven op mijn blozende afwezigheid van schaduw omdat ik eeuwig witgevederd ben. Het is de stilte van geluk die vergeefs tegen je wouden vecht. Nog schragen de stammen en de schors mijn zwijgende diepte in. Ternauwernood nagenoeg drieledig ben ik hem die met trefzekere pas op het geluk van de rode tententijd trapt. Piepjong blijf ik dit baken, dat vlokken steelt als een dief tussen twee riffen, tussen twee bolsters en kapen, onzichtbaar ook zij. Ook wij. Ik wil dit herhalen zonder ooit te bewegen, onverschillig welk een gewicht op mijn tussendaken een 'yeah' schrijft met tekens van pannen en leien die jouw sneeuw structuur verlenen, diepte, perspectief. Er hoort hier niets zo steil te staan, de bomen hángen, hoe bedrieglijk staande ook. Vuurwerk, ik bewaar vuurwerk voor de stilte, ik ben mogelijk, ik ben te zien en er zit warmte in mijn hart, ondanks mijn bijziende vering, mijn onbeweeglijke traject, mijn slagpen. Breng mij koude en vergeet mijn liefde niet in de kleur van niets anders, niets anders dan de brand waarin ik woon, hoewel eenzaam...
Het halfdonker hangt nog in de valavond met breekbare lijnen
- touwtjes van elektriciteit. Er is een scheur, een slip in het zwarte laken.
De mensen gaan zo vaag dat ze stilstaan in een doos van wit papier met Japanse
tekens en wat kersenbloesem, vlakbij de opera, het treinstation. Al de beloftes
die je niet kan houden, daar maak je een foto van. Een nieuwe uitvinding, met
magnesium: ver springen, de tijd is die van de nacht, de lantaarns gaan op een
rijtje van 'geel', 'geel', kom en doe nou niet formeel alsof je niet de
lichtekooien kent. In het bordeel is het kouder dan de wijzerplaat leeg is aan cijfers.
Dat komt omdat er al winter in de lucht zit. De stenen gebouwen hebben wel eens
ronde vormen, maar het zijn massieve voorwerpen met een deur en vensters om in
te verdwijnen. Mijn zwart is donkerder en helderder dan jouw grauwe mantel, man
met hoed. Waar zijn de geisha's van weleer, de kimono's, de houten schoenen?
Het is niet te doen in het grijs van het heden te verdwijnen zonder eer aan de
oude vormen en tempeltekens te bewijzen. Je weet dat maar al te goed. Het
verleden (helaas) is zo scherp omlijnd, dat het schrikken doet de stilte in de
winkelstraten te willen ontmijnen. Geef mij het papier van lampionnen en papier
dat opvliegt naar de hemel bij nacht met een kaars. De 'klik' van jouw
kiekjeskast jaagt een jazz van heel ver weg, en ijzig vaag, bijna niet te
horen, door een oneigenlijke schemering mijn ziel binnen, als dat weinige dat
een boodschap aan de witte takken in de straat brengt, vastgehouden met houten
gaffels, alsof de boot straks niettemin vertrekken zal, terug naar waar we
vandaan komen.


No comments:
Post a Comment