Saturday, May 13, 2023

Suzume

 https://www.youtube.com/watch?v=5pTcio2hTSw&pp=ygUOc3V6dW1lIHRyYWlsZXI%3D

Wednesday, March 29, 2023

 

The relativization of our sociology by the scientific collection of cultural forms that we are destroying in the world, and also the analyses, bearing genuinely psychoanalytic marks, in which the wisdom of Plato shows us the dialectic common to the passions of the soul and the city, may enlighten us as to the reason for a barbarism. What we are faced with, to employ the jargon that corresponds to our approaches to man's subjective needs, is the increasing absence of all those saturarions of the superego and ego ideal that are realized in all kinds of organic forms in traditional societies, forms that extend from the rituals of everyday intimacy to the periodical festivals in which the community manifests itself. We no longer know them except in their most obviousiy degraded aspects. Furthermore, in abolishing the cosmic polarity of the male and female principles, our society undergoes all the psychological effects proper to the modern phenomenon known as the 'battle between the sexes' - a vast community of such effects, at the limit between the ‘democratic’ anarchy of the passions and their desperate levelling down by the 'great winged hornet' of narcissistic tyranny. It is clear that the promotion of the ego today culminates, in conformity with the utilitarian conception of man that reinforces it, in an ever more advanced realization of man as individual, that is to say, in an isolation of the soul ever more akin to its original dereliction.

(Lacan)




"Let me tell you this, if you are kind, if you are compassionate, if you hold no discrimination towards people whatsoever, then you have no reason to worry about whether you are woke enough.”
― Abhijit Naskar

Friday, January 27, 2023

 

De borstels van de bomen op de eindige lange Japanse helling weten de sneeuw van hun takken niet te verdwijnen, verblind in de scherpe lucht, een spoor van een eggende reus die uit de rode pagode is gekropen en nog enkele daken meebrengt in zijn spoor, maar niet zo ros, roest of ruber. Spokend, de piek van mijn verdriet dat de winter de zon laat branden, is een antenne die geen radio ontvangt maar geheimen en gebeden. Niettemin, mijn voet is koud en staat in sneeuw, een eeuw van onzichtbaarheid. Hier kom je niet weg met korsten die beginnen aan mijn hand en mijn lichaam afdalen, omhoog de heuvel op. Stronken en stammen - je zou ze haast vergeten - gaan verticaal in slagorde het opbollende sneeuwlaken van mijn haakwerk in. Slierten van wolken in de barstblauwe lucht zijn een teken van rook van een vuur dat niet bestaat, want mijn ogen sterven in jouw helling. Wat ligt er hoger nog dan mijn toren, aan de andere kant van de kim waar reuzen sterven? Kan je me zien? Waarom zijn er zwarte groeven, een raster van zwarte sterren, een rits van steenkool in mijn borst van jou, Adonis? U bent zo blank en wit voor de rest, boven op mijn blozende afwezigheid van schaduw omdat ik eeuwig witgevederd ben. Het is de stilte van geluk die vergeefs tegen je wouden vecht. Nog schragen de stammen en de schors mijn zwijgende diepte in. Ternauwernood nagenoeg drieledig ben ik hem die met trefzekere pas op het geluk van de rode tententijd trapt. Piepjong blijf ik dit baken, dat vlokken steelt als een dief tussen twee riffen, tussen twee bolsters en kapen, onzichtbaar ook zij. Ook wij. Ik wil dit herhalen zonder ooit te bewegen, onverschillig welk een gewicht op mijn tussendaken een 'yeah' schrijft met tekens van pannen en leien die jouw sneeuw structuur verlenen, diepte, perspectief. Er hoort hier niets zo steil te staan, de bomen hángen, hoe bedrieglijk staande ook. Vuurwerk, ik bewaar vuurwerk voor de stilte, ik ben mogelijk, ik ben te zien en er zit warmte in mijn hart, ondanks mijn bijziende vering, mijn onbeweeglijke traject, mijn slagpen. Breng mij koude en vergeet mijn liefde niet in de kleur van niets anders, niets anders dan de brand waarin ik woon, hoewel eenzaam...



Het halfdonker hangt nog in de valavond met breekbare lijnen - touwtjes van elektriciteit. Er is een scheur, een slip in het zwarte laken. De mensen gaan zo vaag dat ze stilstaan in een doos van wit papier met Japanse tekens en wat kersenbloesem, vlakbij de opera, het treinstation. Al de beloftes die je niet kan houden, daar maak je een foto van. Een nieuwe uitvinding, met magnesium: ver springen, de tijd is die van de nacht, de lantaarns gaan op een rijtje van 'geel', 'geel', kom en doe nou niet formeel alsof je niet de lichtekooien kent. In het bordeel is het kouder dan de wijzerplaat leeg is aan cijfers. Dat komt omdat er al winter in de lucht zit. De stenen gebouwen hebben wel eens ronde vormen, maar het zijn massieve voorwerpen met een deur en vensters om in te verdwijnen. Mijn zwart is donkerder en helderder dan jouw grauwe mantel, man met hoed. Waar zijn de geisha's van weleer, de kimono's, de houten schoenen? Het is niet te doen in het grijs van het heden te verdwijnen zonder eer aan de oude vormen en tempeltekens te bewijzen. Je weet dat maar al te goed. Het verleden (helaas) is zo scherp omlijnd, dat het schrikken doet de stilte in de winkelstraten te willen ontmijnen. Geef mij het papier van lampionnen en papier dat opvliegt naar de hemel bij nacht met een kaars. De 'klik' van jouw kiekjeskast jaagt een jazz van heel ver weg, en ijzig vaag, bijna niet te horen, door een oneigenlijke schemering mijn ziel binnen, als dat weinige dat een boodschap aan de witte takken in de straat brengt, vastgehouden met houten gaffels, alsof de boot straks niettemin vertrekken zal, terug naar waar we vandaan komen.


Thursday, December 22, 2022





 “78. [T]he supreme reality is what is in truth only the unrealized Notion. […] 84. Consciousness provides its own criterion from within itself, so that the investigation becomes a comparison of consciousness with itself; for the distinction made above falls within it. In consciousness one thing exists for another, i.e. consciousness regularly contains the determinateness of the moment of knowledge; at the same time, this other is to consciousness not merely for it, but is also outside of this relationship, or exists in itself: the moment of truth. Thus in what consciousness affirms from within itself as being-in-itself or the True we have the standard which consciousness itself sets up by which to measure what it knows. If we designate knowledge as the Notion, but the essence or the True as what exists, or the object, then the examination consists in seeing whether the Notion corresponds to the object.”

There is a lot in this passage. The first thing is that Hegel is saying that the supreme reality is the unrealized notion. He is saying that it is inherent incomplete and indeterminate. Thus it is not that the absolute reality exists “out there” in an already completed and full form, he is saying that the only way in which we can make sense of history and our knowledge is to presume that our very involvement in it is part of its own becoming.
Moving on from that Hegel emphasizes that the determinateness of this knowledge comes into being by the work of a consciousness. Thus the determinateness of the Absolute does not exist outside of this collapse. It is kind of as if Hegel is trying to articulate the way in which the Absolute is like the collapse of the wave function in quantum physics. The in-itself the Absolute is just this indeterminate, incomplete, fuzzy Thing, or chaos, and that through our work in history it gains an existence, it comes into being.

Cadell Last





Voor wie ernaar streefde waarheid en zekerheid van zintuiglijk binnendringende objecten te doen gelden, was het misschien beter om terug te flitsen naar het meest elementaire criterion van wijsheid zoals dat zich gelden deed tijdens de antieke Eleusische mysteriën van Ceres en Bacchus, om daar de geheime betekenis te leren van het brood-eten en wijn-drinken.
De wereld en het bewustzijn was immers een vampier, op de mens afgestuurd om het bloed te drinken van de geheime vernietiger van de werkelijkheid – die onze TAAL was, een jammerlijke gewoonte en gebruik dat dingen tegen een vlam hield om ze te belichten, maar zo alleen maar uitdrukte wat we ‘bedoelden’ te zeggen over een element in de werkelijkheid en niet werkelijk zoals dat element ook daadwerkelijk ‘was’. Zodra we ons bewustzijn in taal omzetten, schoot het onderwerp dat we voor ogen hielden, in de hens. En wat kreeg je voor de pijn die je dat bezorgde?
Verraden verlangens en je werd een radertje in het spel van de wereld, waar je van alles getuige was, maar zelfs op de knieën kon niemand vertellen wat er precies aan de hand was, niemand kon waarschuwen voor wat er om de hoek school. Met als gevolg dat alles wat je vaststelde/vastlegde in de wereld je via TAAL tegen de ziel van de andere, van je geliefde liet botsen, alsof je een slag uitdeelde.
Het omzetten in woorden van iets wat werkelijk bestond, duurde die fatale milliseconde en je wist al lang niet meer wat het jouwe was, en wat behoorde aan die bloedzuiger die zich in je weergave van het evidente mengde.
We misbruikten elkaars geloof in de waarheid van ons doen en laten, in zoverre dat gemediëerd werd door TAAL.





Friday, December 16, 2022



Heisenberg formuleerde in 1927 het onzekerheidsbeginsel. We zeiden reeds dat, door een optelsom in het heelal, zwaartekrachten geneutraliseerd werden door de krachten van materie, licht en antimaterie. De vraag is dan, hoe kan ‘de bal van het universum’ überhaupt uit een middencirkel worden getrapt?

Anders gezegd, wat veroorzaakt het vallen van zo’n ‘bal’ op Times Square tijdens Oud-en-Nieuw?
Of tenminste, wat veroorzaakt ons waarnemen daarvan? Hoe kan er iets, samengesteld uit gelijke positieve en negatieve delen, ontstaan uit ‘niets’? Fysici zijn niet helemaal zeker, maar hun beste gok bestaat erin dat extreme positieve en negatieve hoeveelheden energie willekeurig fluctueerden tot ze uiteindelijk bleven ‘bestaan’. In andere woorden, als de positieve energie van een entiteit – of van een ruimtelijke ‘bal’ – groter wordt, kan er in principe terzelfdertijd negatieve energie aan het gravitationele veld van een lichaam zoals de Aarde blijven kleven. Quantumtheorie, en specifiek Heisenbergs onzekerheidsprincipe, biedt een vlottende, charmante verklaring voor de manier waarop energie uit ‘niets’ kan zijn ontstaan. Bovendien begreep Heisenberg dat experimenten nooit in volledige afzondering kunnen worden uitgevoerd, omdat het meten zelf altijd de uitkomst beïnvloedt. Ofwel, hoe nauwkeuriger je de ene grootheid meet, des te minder je over de andere grootheid te weten kan komen. In feite wordt deze onnauwkeurigheid, of ‘onscherpte’, veroorzaakt door het bestaan van een constante, een natuurlijke wetmatigheid die je nodig hebt om de straling van zogenaamde ‘geïdealiseerde’ objecten te verklaren, lichamen die alle elektromagnetische straling die op hen vallen, absorberen, wiens temperatuur als gevolg daarvan begint te stijgen, groter wordt dan hun omgeving. Hun surplus aan warmte geven deze lichamen vervolgens op hun beurt af als elektromagnetische straling, en in theorie zal dit gebeuren op ‘alle’ golflengten.
Overal in het universum worden er spontaan deeltjes en antideeltjes gevormd en vernietigen ze ook elkaar. Ze doen dit evenwel zonder de wetten van energiebehoud te schenden. Deze spontane geboortes en dit spontane sterven van zogenaamde ‘virtuele deeltjesparen’ zijn in feite quantumfluctuaties, en zoals vastgesteld in het labo bestaan die fluctuaties overal, en wel de hele tijd.
Het product van de beide fouten die optreden bij het gelijktijdig meten van plaats x en impuls p van een elementair deeltje is altijd groter dan of gelijk aan een kleine constante , maar is nooit gelijk aan nul.
∆x∆p≥h/4π
Hetzelfde geldt voor de energie E van een deeltje op een nauwkeurig bepaald tijdstip t.
∆E∆t≥h/4π
Het gevolg van deze onzekerheidsrelatie van Heisenberg is dat van een subatomair deeltje noch het verleden, noch het toekomstig gedrag met zekerheid voorspeld kan worden.


The world evoked in the seven Sophoclean tragedies is a dangerously theatrical place where seeming and being are often disastrously different things.
(...) roles played by Sophocles’ characters. These seven plays are peopled by a wide range of dramatic personages who assume roles within their roles—posturing, posing, and often deceiving their fellow characters, and sometimes even themselves. This issue of internal role playing is a defining feature of metatheatricality, since all drama entails actors pretending to be fictional characters on stage. When a character within a play sets out to deceive other characters or the theater audience through disguise or deceptive behavior, the audience is made aware of the performative nature of the play which hosts such doubly mimetic activity.
Mark Ringer


‘’k Ben al op duistere plaatsen geweest in mijn leven,’ lichtte Eva toe. ‘Maar ik kan met twee eenvoudige stokken bewijzen dat de Aarde rond is.’ En dan.. ‘Al schiet ik er niets mee op.’
Je stak de stokken in de grond en vergeleek hun schaduwen.
Dit was een oefening in meditatie, waar de priesters van Tibet al geruime tijd proefondervindelijk de effecten van bestudeerden, waar ze mee in hun nopjes waren, ze waren er zo mee bezig dat je Eva ontwaren mocht in een plunje van rood en geel, dat men haar eerbiedig overhandigde en waarin ze zich kleedde, mocht uitdossen zoals ze het zelf noemde, om het wezen van de beschermende goden van het gebergte te detacheren in een gebed met de priesters, een spijbelen alsof er haar een mooie jongen uit een keur van stervelingen spotte, omdat zij de mooiste was, een van de kleine meisjes met lintjes in het haar die in de straatjes speelden aan de voet van het Winterpaleis.
In de buurt van de mooie heiligdommen in dit deel van de Himalaya – een altaar of een kapel – of geiten hoedden. Die meisjes in bliss en zaligheid, met veelkleurige snippers in ieders droommolen in de wind, ongeasfalteerde wegen, gebedsvlaggetjes in een soort meiboom. Paint-by-numbers pancartes. In deze omstandigheden was je nog maar een kind, onophoudelijk, onmogelijk.
Maandenlang werd Eva zo geïnstrueerd in yoga en rituelen, in visioenen en in de oeroude geloofstechnieken van het hurkende klooster waar ze na een lange reis was terechtgekomen, geinitieerd in de edele rekeningen van zonsop- en zonsondergang, in het bloeiend weefsel van takken en bloemen, in de liederen van de wind, in rotswoningen, in de vriendelijke woorden van je familie, in de manier waarop je in de spiegel kijkt...
In literatuur en wierook, in een lachende levenslijn, in kuis taalgebruik, zelfs in moegestreden Mandarijnen... dat Eva ten langen leste alleen maar kon besluiten, ‘Hoe minder ik weet, hoe beter. Ik hoef nergens meer naartoe, waar ik vroeger dag en nacht in zocht, ligt nu vlak bij mij.’
Natuurlijk bestond er een Tibetaans pantheon. Iedere tijdrekening ervan was gebaseerd op een maankalender. Er huist een prachtige berg in het centrum van je mandala, zei de priester, ergens aan de zuidzijde van je zelfvertrouwen...
གངས་རིན་པོ་ཆེ
... de berg Kailash.
Door met je hand een religieus teken te maken, een vogelkopje meer bepaald, kan je mee met mij naar diens hoogste sneeuwtoppen vliegen, nog voor er zich een hek sluiten zal, nog voor er zich een breekbaar bekje openen zal. Er bestond een diamanten schildpad waarop iedereen rijden kon, een voertuig, een reptiel dat de wereld torste, zelfs vaker dan dat er kermissen naar het dorp kwamen. Hoe heerlijk was het niet voortdurend tantra’s en mantra’s te vinden, waarover je overigens mocht aannemen dat ze de bescherming mochten genieten van de oude koningen.
Eva was een doorbijtster en eens ze haar tanden in iets zette, droop het glazuur al van haar lachbroodjes.


Donkere materie – we weten niet echt wat het is. ’t Is niet eens zeker dat het ‘materie’ is in de conventionele zin, of eraan gerelateerd op die manier. We weten alleen dat sterrenstelsels roteren op zo’n manier dat het aantoont dat er heel wat meer massa moet zijn, maar het is massa die we niet kunnen zien en dat we niet duidelijk kunnen maken op de gebruikelijke manieren. Vandaar de naam ‘donkere’ (zoals in onzichtbaar) materie.
Donkere materie lijkt niet erg te interageren met gewone materie, tenzij gravitationeel ! Op dit eigenste ogenblik zou donkere materie door je heen kunnen gaan en je zou het niet merken. Donkere materie interageert ook niet met licht, dus je kan het niet zien. Het lijkt al evenmin erg te interageren met zichzelf, om die reden kan donkere materie geen ‘klompen’ maken zoals planeten of sterren. Het bestaat daarentegen waarschijnlijk in een diffuse vorm. Puntje bij paaltje, donkere materie interageert nagenoeg alleen via zwaartekracht en gravitatie.
De vorm van sterrenstelsels is bewijs van het bestaan van donkere materie, en is ‘t resultaat van de interactie tussen materie en donkere materie. Zonder donkere materie zouden sterrenstelsels heel wat minder reusachtig zijn, en de buitenste delen zouden heel wat trager draaien vergeleken met het centrum. Door toedoen van donkere materie zijn sterrenstelsels redelijk reusachtig, en ze draaien bijna als solide voorwerpen – de buitenste delen draaien ongeveer even snel als hun centrale delen.
Schattingen variëren, maar het ziet ernaar uit dat er iets van 5 tot 6 keer meer donkere materie bestaat ‘out there’ in vergelijking met reguliere materie.

Saturday, November 12, 2022

 



- Is u dan gaan geloven aan een eeuwig leven in het hiernamaals?
- Nee, niet aan een toekomstige eeuwigheid maar aan een eeuwigheid hier op aarde. Er zijn ogenblikken, u komt tot die ogenblikken, en de tijd blijft opeens stilstaan en zal eeuwig zijn.
- U hoopt zo'n ogenblik te bereiken?
- Ja.
- Dat zal wel haast niet mogelijk zijn in onze tijd, sprak Nikolaj Vsevolodovitsj, eveneens zonder een spoor van ironie, langzaam en als het ware nadenkend. In de Openbaring zweert de engel dat er geen tijd meer zal zijn.
- Weet ik. Dat is daar heel juist; duidelijk en precies. Als ieder mens het geluk zal bereiken, zal er geen tijd meer zijn, omdat hij niet nodig is. Zeer juiste gedachte.

Boze Geesten - Dostojevski




In zoverre ik korte rokjes en goedkope groene nylon slipjes draag…

 

Kids zitten in de straat op de stoep, een rode bal aan de voeten, met een stok iets aan het porren in de goot, stellen geen moeilijke vragen. Een zwarte Ferrari rijdt voorbij. Dromen maken me bang.

Mij papieren toesteken voor een hele hoop geld, papieren waarop doodles staan, mannetjes met eierhoofden en streepjes voor armen en benen, papieren waarop gedichten staan, kortom ‘bewerkte’ papieren, zo’n papieren mij toesteken op de stoep, terwijl ook zij zich naar haar werk begeeft, zo’n papieren mij toesteken, dat kan opgezet spel lijken, maar in dit geval was het puur toeval.

Of althans, zo beweerde zij toch.

Zij, dat was een mooie brunette die ik had ontmoet terwijl ik tweedehandse gitaren aan het verkopen was. Het was het verdrietigste meisje dat ik ooit in éen gulp een RedBull zag leegdrinken.

Haar naam was Sarah. Ze zei dat alles begint met luisteren en dat deed ik dan ook, luisteren naar haar en de rest van de wereld verdween rond me. Ondertussen probeerde ze vertrouwelijke informatie te stelen, uit mijn hoofd, gegevens over mijn bestaan, dingen over mijn karakter die alleen ik pretendeerde te weten. Ze kon dit, I suppose, door me nauwgezet gade te slaan met die jaguarogen van haar, die vanuit struikgewas (mijn kamerplantencollectie) het blinkende computerscherm op mijn lessenaar reflecteerden.

Ze woelde met haar vingers door de wanordelijke troep documenten op mijn bureau, ze legde haar handen op een energiebol die ik had, een plasmaglobe zoals dat heet, en dwong zo de elektrische vonk die in me zat op haar warme huid over te slaan. Bijna, ware het niet voor het glas dat tussen haar en mij inzat.

Ik sprak haar die dag. Toevallig zat zij in een zwarte zetel achter het stuur van haar stoere Landrover. Ze deed haar autoraampje op een kier omdat ik haar daartoe met een roterende handbeweging teken deed – ze had geen elektrische bediening in die oude, gele trofeewagen van haar, maar een roestbak was het niet. Ze droeg er zorg voor, zoals voor zoveel dingen. Zoals voor mij.

I suppose.

Ik sprak haar over dingen als foto’s van Courtney Love die ik bezat, over de wiskundige staartredenering die achter E = mc2 zat en die niemand kende noch volgen kon, maar die ik wel op een kurken wandbord had geprikt in mijn leeskamer, alsof ik er alles over wist.

Ik had een vouwbare bureaulamp die boven het blad van mijn lessenaar en mijn computer torende als een plasticgehelmde, anorectische robot met een spillenruggengraat van blinkend staal.

Inclusief spiraalveer.

De platitudes, banale onderwerpen waar ik het met haar over had, terwijl zij haar handen op het stuur liet liggen en voor zich uitkeek, terwijl ik leunend tegen haar auto haar van iets probeerde overtuigen, waren evenzovele manieren om niet het hoofdonderwerp aan te boren dat me op de lever lag.

Toch zei ik, niettemin, ‘Zal ik vertellen wat ze over ons zeiden, wat er over ons de ronde ging op het feestje?’

Een dag eerder waren we beiden op een feestje. Sofia viel me lastig door haar ogen in mijn rug te boren telkens ik die naar haar toekeerde en mijn aandacht richting Sarah verdeelde. Sofia viel me lastig door te vragen of ze nog een Martini mocht. Sofia viel me lastig door me in de badkamer ongevraagd op de mond te zoenen.

In weinig woorden gezegd, Sofia leidde me af van mijn lijmen van Sarah.

Er speelde muziek van Coltrane. Favourite things. Ik ging naar een microgolfoven en warmde twee leverpasteitje met wat pommes duchesse op, propte die in mijn mond en overwoog wat me te doen stond om me niet stierlijk te vervelen, hier in het appartementje van Gerard waar ik beland was.

In de mix.

Er stond, puur voor de show van het prestige denk ik, een fotokopieermachine in de woonkamer van Gerard, die dit feestje organiseerde. Nou, het was veeleer een geïmproviseerd feestje anyhow. Maar er werden spelletje gespeeld met die Xeroxmachine en daar onthield ik me van.

Zodat ik aan een al even geïmproviseerde chromen drankkar terecht kwam en me een gin-tonic ingoot. Sarah sprak me als eerste aan. Ze had zo’n verdrietige ogen, leegde in éen keer een RedBull-blikje en zei, ‘Weet jij iets over de dimensie waar je terechtkomt als je door een zwart gat wordt ingeslikt?’

Dat ze het over een fase in haar leven had, dat ze me misschien om raad vroeg waar ze zich naartoe had te bewegen in het vacuüm dat New York City geworden was, wist ik niet en werd me pas later duidelijk. Ik dacht er alleen maar aan bijdehand, ad rem te zijn en antwoordde daarom, ‘Nee, maar als het lijkt op dit soort bijeenkomsten, deze lui onderling, in deze slordige woonkamer, dan is het niet veel beter dan wat wetenschappers voorspellen wat er gebeurt in zo’n geval.’

‘O ja?’ vroeg het meisje, ‘En wat is dat dan?’

Ik slikte het laatste restje leverpastei van tussen mijn kiezen door en antwoordde, ‘Je wordt uiteengereten.’

Het meisje begon te lachen en vroeg mijn naam. ‘Jerry,’ zei ik, ‘en jij?’

‘Sarah.’

Ik droeg een geel overhemd en bij Sarah hing er, geloof het of niet, een zwarte stropdas met PacMans erop rond haar nek, het leken wel smileys van indertijd bij acid house en new beat zoals die hot en her tot logo’s, tot zwierige krullen in chats en e-mails uitgegroeid waren.

‘Ja, onze entourage is op sterven na dood,’ zei Sarah terwijl ze met een veelbetekende, doch uiterst neutrale blik teken deed rond ons heen. Ik voelde nog steeds de ogen van Sofia in mijn rug.

‘Hopelijk,’ zei ik, ‘hopelijk vind je het hier niet even doods als toen je de BadMonkey binnenstapte. Ja, ik herinner me je nog.’

‘Oh, hoezo?’ vroeg Sarah.

‘Nou, je kwam toch om een gitaar de andere dag?’ zei ik. Ik baatte nu eenmaal de BadMonkey uit, een tweedehandsgitaarshop, ik had het er al over.

‘Ja, maar hoezo, ‘niet even doods’?’ wilde Sarah weten.

‘Nou, er waren bijzonder weinig klanten en wie weet wat vond je nou écht van de jongeman die achter de toonbank stond om al die gitaren te verpatsen,’ vroeg ik.

‘Je bedoelt jezelf?’ vroeg Sarah.

‘Yes,’ zei ik.

Ik wist dat ik om een complimentje viste. Ze aarzelde even en sprak, ‘Oké, ik zal me schikken. Nee, je was best leuk, leuker en nieuwer dan al die opgelapte gitaren aan de muur en in de rekken alleszins,’ en terwijl ze dit zei, streelde ze een bruine lok van haar haren uit haar ogenveld, en ik was verkocht.

‘Maar wat ís het dan, dat ze over ons zeiden, als je dat per se wil delen met me?’ riep Sarah die dag doorheen het kiertje in haar opengewrikte autoraampje, nog steeds in haar Landrover maar opgeschrikt vooroverschietend waarbij ze zich geïrriteerd weer in haar zetel liet terugvallen, evenwel nog steeds met haar handen op het stuur en het sleuteltje werkeloos in het zilveren contactslot rechts van haar.

U kan het wel bijeenpuzzelen dat we een ruzie hadden gehad. Wel, het draaide om een onenigheid over de spiegel die ze me had voorgehouden, in de zin dat ze me verweet dat ik nooit naar haar wilde luisteren als ze zei dat ze een waarzegster haar drie kinderen in aardse vorm had voorspeld.

Ik wilde geen kinderen. Ik geloofde niet in waarzegging, ik lachte haar ronduit uit. Dat kon Sarah niet velen: zo kon ze me niet aanbevelen bij de Spirit in de sky waar ze onder meer in geloofde. Ik moest erom glimlachen. En dat, dat was een dealbreaker.

Sarah maakte me dit uitvoerig kenbaar door vervolgens de randlijnen van een nog groter drama uit te tekenen door het komende halfuurtje mijn algeheel gebrek aan geloof in de rust en oprechtheid van het leven en haar vruchtbaarheid op de korrel te nemen.

Waarom en hoe? Ze zei namelijk dat menige priesteres ooit prostituee was geweest, dienstbaar aan een godsdienst en bekleed met een heilig karakter.

… gerespecteerd door hun klanten, verre van infaam of schandelijk geacht omwille van hun roéping, een uitoefening van meer dan gewone deugd en beloond met een hulde van bewondering, medelijden en zelfs aanbeden, niet minder dan wie tegenwoordig om heel andere redenen in het klooster gaat door aan de natuurlijke functie van zijn of haar geslacht voorbij te gaan…

The Golden Bough

Wat ze zei, kwam zomaar uit de lucht vallen en ik zei, ‘Je doet alsof je zelf een hoer bent geweest.’ Waarop een vreselijke stilte viel. De waterlanders kwamen. ‘Ik oefen alvast voor een kind,’ snikte ze, ‘door naar de Teletubbies te kijken en jij, jij ligt daar maar te suffen in de divan en lacht met me…’

‘Maar…’ probeerde ik terwijl ik had aan te zien hoe Sarah ermee strugglede zich verstaanbaar te maken.

‘Je geeft mij niet de aandacht die ik verdien als ik, in mijn négligé godbetert, om jouw tijd vraag,’ vervolgde ze, ‘Ik ben blijkbaar alleen goed om in de keuken tussen potten en pannen de korsten van je pizza’s weg te gooien.’

Sarah en ik waren op een punt in onze relatie gekomen waarop zij alleen goed was om de opbrengsten van mijn voortdurende geheugenverlies op haar te nemen en af te schrijven op een borg die ik niet vervullen wilde.

Of kon.

Ik was sprakeloos. Even geloofde ik dat dit meisje een spelletje met me speelde en de gedachte kwam al in me op dat het zeker die tijd van de maand was waarop alle dingen uit hun context losschoten en dat de spiegels begonnen te rimpelen omdat je er te dicht bij in de buurt kwam.

Maar ik zweeg, als ik had gezegd wat door mijn hoofd ging, zou Sarah zeker iets giftigs hebben genoteerd als ‘Als ik zou wensen nooit te sterven, dan kan jij maar beter niet in mijn buurt zijn, of ik zou willen sneuvelen zoals een zonnebloem waarvan het hoofd wordt afgesneden.’

As a matter of fact, ze zei dit ook daadwerkelijk en wel even giftig, maar dat was alleen maar omdat ik met mijn mond vol tanden stamelde dat de stoffelijke resten van een sybille of waarzegster wel eens werden opgehangen in een tempel[1].

En wanneer een groep vrolijke kinderen, moe misschien van het ravotten op het plein onder de opgehangen urne kwamen staan en vroegen wat de wens van de sybille was, en dat deze dan met een holle, enge stem antwoordde, ‘Ik wou dat ik kon sterven.’

Ik wilde hiermee doelen op de waarzegster waarvan ik vermoedde dat die vrouw (of man) wel eens aan de basis van deze emotionele uitbraak bij Sarah kon liggen. Bleek dat Sarah bij die waarzegster in ieder geval en onder ieder beding voor onsterfelijkheid een wens had uitgesproken. Ik kreeg dientengevolge de volle laag het volgende kwartier.

Oeps.

Maar ik maakte het nog erger door te zeggen dat iedere oud-Egyptenaar twee namen kreeg, de echte naam en een ‘goede naam’. Waarom ik het hiermee nog erger maakte, was omdat ik er verklarend aan toevoegde dat zij zeker een beroepsnaam had gehad en welke die dan was, want ik werd hoe langer hoe nieuwsgieriger.

Was het Jewel? Porsche? Bambi?

Het was nu eenmaal zo dat die eerste, ‘echte naam’ zorgvuldig verborgen werd gehouden om de eigenaar ervan te beschermen tegen bad juju, tegen slechte magie, omdat zwarte totems bijvoorbeeld alleen effectief waren als men beschikte over de echte naam van je tegenstander of vijand.

En ikzelf was hier de vijand met de slechte magie geworden. Hoe dan ook, om een lang verhaal kort te maken, zoals ik het hier vertelde, met die ‘vreselijke stilte’ die viel na mijn onhandige suggestie dat zij ooit een lichtekooi zou zijn geweest, zo kwam aan het licht dat Sarah inderdaad ooit had bijgeklust als escortmeisje.

En daar schaamde ze zich blijkbaar verschrikkelijk voor, hoewel ikzelf het fenomeen niet eens zo rampzalig vond. Ze vervulde zo, rekende ik snel, alvast een van de voorwaarden, een prinses in gezelschap, een kokkin in de keuken en in de slaapkamer, wel tja…

Nou ja, we kregen een enorme ruzie. Ik zei nog wel dat ze op het feestje van Gerard hadden gezegd dat Sarah er prachtig en gedistingeerd had uitgezien. Maar het fragiele zee-ijs waarop ik me met mijn ijsbreker al had begeven, bleek levensgevaarlijk. Het was alsof ik de mummie van haar schaamte aan het afwikkelen was, benieuwd hoe ze er onder die ‘stinkende’ windsels uitzag, en of haar ziel nu nog wel even licht als een veer van een ibis kon wegen, of er een plekje voor haar in het bootje dat naar de sterren vaarde, gereserveerd kon blijven.

Maar Sarah wilde mij een mep verkopen, al verhinderde een letterlijk ongemakkelijke window of opportunity (haar autoraampje) haar van succes daarin, temeer omdat ik op tijd terugdeinsde.

‘Wat wil je dan,’ vroeg ik, ‘perfectie? Iedereen heeft zijn ruwe kantjes. De menselijke natuur is een doelwit in een circus, geplaagd door de grillen en veranderlijkheden van het dagelijkse leven en door het noodlot als een geblinddoekte vrouw die op een draaiend rad de messen naast haar hoofd en vingers voelt suizen en zich vastgrijpen in het hout waaraan ze vastgebonden hangt.’

Maar zij barstte uit en zei, ‘Als jouw mannelijkheid nog een sprankel of een vonk van waardigheid zou bezitten, zou je niet zo surrealistisch reageren op mijn bekentenis hier. Hoe kan je de waarheid verdragen?’

Ik gokte er in feite op dat ik haar trots kon breken, terwijl zij dat ondanks alle schijn tegen ook probeerde met mij. Ik weet niet of u dat begrijpen kan. Het is iets Freudiaans. Ze wilde aan de ene kant een deftig meisje voor me zijn, maar aan de andere kant wond het haar op dat ze de ervaring en de automatismes nog bezat om me op de onmogelijkste ogenblikken te verleiden, een rol in een groots opgezette productie van promiscuïteit te spelen, hier en nu en, ten derde, mij met mijn mannelijkheid tot een duik in het onbekende te dwingen.

Maar iets in mijn kortstondig geheugen, dat me op de meest wispelturige ogenblikken in de steek liet en zo ook nu, speelde op.

Want in plaats van Sarah verder gerust te stellen, begon ik koortsachtig de gaten en kieren te dempen die, mijns ondanks, nu overal begonnen te verschijnen in mij, lekken die verraadden dat ik, ondanks alles, een nogal ouderwetse visie bleek te bezigen aangaande vrouwen van de nacht en van het rode licht.

‘Wat vies,’ zei ik.

‘Hè,’ schrok Sarah, ‘wat bedoel je, wat is er vies?’

Mijn moraliteit stond hier ter discussie. Dat ik mij bedreigd voelde, dat ik huiverde en al aan het terugwijken was voor haar plots mij nogal opdringerig aandoende persoonlijke idiosyncrasieën.

Ik dacht aan haar net iets te gigantische oorringen soms, haar opgestoken haar, het riempje van haar beha dat zich onder haar veel te losse wollen pullover wel eens kwam verraden, net ogenschijnlijk iets sneller dan ik op zo’n ogenblik verwachtte.

Het web van de kruisspin in Sarah spande zich voor mijn dwaas wordende gezicht en ik wist alleen te zeggen, misschien deed ik het wel opzettelijk om haar te raken, te ergeren en te vernederen, ‘Misschien heb je de idee om te wachten op me in bed, stap dan uit die Landrover van je en maak je klaar.’

Ik zei het op een sarcastische manier omdat de hele situatie me ineens verveelde. ‘Wat?’ barstte ze uit.

‘Ik kom straks, ik moet alleen nog even naar mijn werk, naar de BadMonkey want het is mijn shift, en een bordje Gesloten wegens omstandigheden voor de deur hangen. Of misschien kom je liever dáar?’

‘Wat?’ barstte ze uit.

‘Je wilde toch kinderen,’ merkte ik op.

Het was waarschijnlijk mijn falende kortetermijnintelligentie die mij niet toeliet in te zien wat er zich zonet tussen ons afspeelde, haar eerlijkheid, haar poging tot ontboezeming die zich, hoe onhandig ook, aan het voltrekken was, het besef dat ik haar zonet nog aan het troosten was en dat ik, wat ik ook deed, nu zeker geen verkeerde insinuaties mocht droppen in haar bijzijn.

Ze snikte, ‘Ik gedraag me alsof ik geen problemen heb met lichamelijkheid, maar nu ik je antwoord heb, moet ik zeggen dat seks me, opnieuw, rancuneus, smerig en verfoeilijk toeschijnt.’

Ik begreep er weinig tot niets van.

Ze zei, ‘Kom naast me in de auto zitten.’ Waarop ik, zo onhandig mogelijk, ‘Oké, dat gaat, maar ik voel een erectie opkomen en jij wil stoom afblazen.’ Wat ik zei, was naar waarheid. Niet de mogelijkheid die ik, vrijpostig, suggereerde. Wat ik had gezegd, was eerder lief, grappig en ironisch bedoeld dan beledigend en compromitterend.

Dient het gezegd, dat ze met haar Landrover in opspattend grind van de oprit wegknarste. ‘Stik!’ hoorde ik haar roepen. Het was alsof ik voorovergestruikeld in een gigantische onverwachte plas regenwater viel, of alsof iemand een emmer met slijm in mijn gezicht kieperde.

Ik keek haar na, ging naar de BadMonkey en deed mijn shift alsof er helemaal niets gebeurd was. Ik was alles al vergeten.

De volgende dag kwam Sarah nog terug bij mij thuis, maar dat was om haar spullen op te halen, haar lipgloss inclusief, haar sexy ondergoed, haar boeken, haar haardroger en een plastic tupperware met vier komkommers erin voor haar veganistisch lijntjesdieet, waarvoor ik haar altijd al, dwaas die ik was, bekritiseerd had.

Ik dacht dat ze het wel gezien had met mij, en ik had gelijk.

Ik was te verbouwereerd en te verward om iets vergoeilijkends te verzinnen en haar bij me te houden. Over mijn aandoening, mijn short-term memory loss, praatte ik niet. Omdat ik me in die tijd er nog niet zo bewust van was, ook nog niet bij een geneesheer in behandeling was.

Zij stormde de kamer uit, de drempel over, waar ik haar achteraf gezien best op een dag óver had willen dragen en, opnieuw, haar gele Landrover in.

Daar stond ik dan.

De volgende dag, terwijl ik naar mijn werk wandelde, kwam haar Landrover eraan gescheurd, stopte met gierende remmen vlak bij me. Sarah stapte uit, stapte op me af en overhandigde me een doos sjokvol beschreven papieren. Ik had het er al over.

Voor ik het wist, was Sarah alweer weggeraasd, ze riep alleen nog, ‘Je begrijpt dit zeker niet. Nou, beschouw het als puur toeval en misschien kan je ze verpatsen voor geld aan de boulevardpers.

Dick.’

Ik dacht bij mezelf, verdomme, ze geeft me haar dagboek en ik had geen ongelijk. Nu zit ik hier in mijn leeskamer haar dagboek na te lezen en ik sta verbaasd over de nou ja, vunzigheden van haar escorteverleden die ik erin aantref. Ik sta verbaasd dat het me zo schokt, dat ík zo puriteins blijk te zijn.

Hoe dan ook, er staan ook allerlei erg ontroerende dingen in, biechten die getuigen van een groot in-tune-zijn met een wereld van haaien en parasieten, haar klanten. Bekentenissen die getuigen van een groot en edelmoedig karakter van een meisje dat het hoofd boven water probeert te houden.

Het schrijven getuigt ook van een onmetelijke intelligentie, alleen raar dat Sarah mijn geheugennecrose dan niet onderkennen kon. Tja, uiterlijkheden misleiden.

Ik zit nu aan het einde van de kartonnen doos met dagboekpapieren, allemaal netjes beschreven in hetzelfde mooie schuine, klassieke handschrift. Een laatste entry is de volgende…

… gerespecteerd door hun klanten, verre van infaam of schandelijk geacht omwille van hun roéping, een uitoefening van meer dan gewone deugd en beloond met een hulde van bewondering, medelijden en zelfs aanbeden, niet minder dan wie tegenwoordig om heel andere redenen in het klooster gaat door aan de natuurlijke functie van zijn of haar geslacht voorbij te gaan…

 The Golden Bough

 Ik heb Sarah nooit meer gezien.



[1] van Apollo te Cumae bijv.




 https://www.facebook.com/share/v/19iVZT8Uiy/