Sunday, May 21, 2023
Saturday, May 13, 2023
Wednesday, March 29, 2023
The relativization of our sociology by the scientific collection of cultural forms that we are destroying in the world, and also the analyses, bearing genuinely psychoanalytic marks, in which the wisdom of Plato shows us the dialectic common to the passions of the soul and the city, may enlighten us as to the reason for a barbarism. What we are faced with, to employ the jargon that corresponds to our approaches to man's subjective needs, is the increasing absence of all those saturarions of the superego and ego ideal that are realized in all kinds of organic forms in traditional societies, forms that extend from the rituals of everyday intimacy to the periodical festivals in which the community manifests itself. We no longer know them except in their most obviousiy degraded aspects. Furthermore, in abolishing the cosmic polarity of the male and female principles, our society undergoes all the psychological effects proper to the modern phenomenon known as the 'battle between the sexes' - a vast community of such effects, at the limit between the ‘democratic’ anarchy of the passions and their desperate levelling down by the 'great winged hornet' of narcissistic tyranny. It is clear that the promotion of the ego today culminates, in conformity with the utilitarian conception of man that reinforces it, in an ever more advanced realization of man as individual, that is to say, in an isolation of the soul ever more akin to its original dereliction.
(Lacan)
"Let me tell you this, if you are kind, if you are compassionate, if you hold no discrimination towards people whatsoever, then you have no reason to worry about whether you are woke enough.”
― Abhijit Naskar
Friday, January 27, 2023
De borstels van de bomen op de eindige lange Japanse helling weten de sneeuw van hun takken niet te verdwijnen, verblind in de scherpe lucht, een spoor van een eggende reus die uit de rode pagode is gekropen en nog enkele daken meebrengt in zijn spoor, maar niet zo ros, roest of ruber. Spokend, de piek van mijn verdriet dat de winter de zon laat branden, is een antenne die geen radio ontvangt maar geheimen en gebeden. Niettemin, mijn voet is koud en staat in sneeuw, een eeuw van onzichtbaarheid. Hier kom je niet weg met korsten die beginnen aan mijn hand en mijn lichaam afdalen, omhoog de heuvel op. Stronken en stammen - je zou ze haast vergeten - gaan verticaal in slagorde het opbollende sneeuwlaken van mijn haakwerk in. Slierten van wolken in de barstblauwe lucht zijn een teken van rook van een vuur dat niet bestaat, want mijn ogen sterven in jouw helling. Wat ligt er hoger nog dan mijn toren, aan de andere kant van de kim waar reuzen sterven? Kan je me zien? Waarom zijn er zwarte groeven, een raster van zwarte sterren, een rits van steenkool in mijn borst van jou, Adonis? U bent zo blank en wit voor de rest, boven op mijn blozende afwezigheid van schaduw omdat ik eeuwig witgevederd ben. Het is de stilte van geluk die vergeefs tegen je wouden vecht. Nog schragen de stammen en de schors mijn zwijgende diepte in. Ternauwernood nagenoeg drieledig ben ik hem die met trefzekere pas op het geluk van de rode tententijd trapt. Piepjong blijf ik dit baken, dat vlokken steelt als een dief tussen twee riffen, tussen twee bolsters en kapen, onzichtbaar ook zij. Ook wij. Ik wil dit herhalen zonder ooit te bewegen, onverschillig welk een gewicht op mijn tussendaken een 'yeah' schrijft met tekens van pannen en leien die jouw sneeuw structuur verlenen, diepte, perspectief. Er hoort hier niets zo steil te staan, de bomen hángen, hoe bedrieglijk staande ook. Vuurwerk, ik bewaar vuurwerk voor de stilte, ik ben mogelijk, ik ben te zien en er zit warmte in mijn hart, ondanks mijn bijziende vering, mijn onbeweeglijke traject, mijn slagpen. Breng mij koude en vergeet mijn liefde niet in de kleur van niets anders, niets anders dan de brand waarin ik woon, hoewel eenzaam...
Het halfdonker hangt nog in de valavond met breekbare lijnen
- touwtjes van elektriciteit. Er is een scheur, een slip in het zwarte laken.
De mensen gaan zo vaag dat ze stilstaan in een doos van wit papier met Japanse
tekens en wat kersenbloesem, vlakbij de opera, het treinstation. Al de beloftes
die je niet kan houden, daar maak je een foto van. Een nieuwe uitvinding, met
magnesium: ver springen, de tijd is die van de nacht, de lantaarns gaan op een
rijtje van 'geel', 'geel', kom en doe nou niet formeel alsof je niet de
lichtekooien kent. In het bordeel is het kouder dan de wijzerplaat leeg is aan cijfers.
Dat komt omdat er al winter in de lucht zit. De stenen gebouwen hebben wel eens
ronde vormen, maar het zijn massieve voorwerpen met een deur en vensters om in
te verdwijnen. Mijn zwart is donkerder en helderder dan jouw grauwe mantel, man
met hoed. Waar zijn de geisha's van weleer, de kimono's, de houten schoenen?
Het is niet te doen in het grijs van het heden te verdwijnen zonder eer aan de
oude vormen en tempeltekens te bewijzen. Je weet dat maar al te goed. Het
verleden (helaas) is zo scherp omlijnd, dat het schrikken doet de stilte in de
winkelstraten te willen ontmijnen. Geef mij het papier van lampionnen en papier
dat opvliegt naar de hemel bij nacht met een kaars. De 'klik' van jouw
kiekjeskast jaagt een jazz van heel ver weg, en ijzig vaag, bijna niet te
horen, door een oneigenlijke schemering mijn ziel binnen, als dat weinige dat
een boodschap aan de witte takken in de straat brengt, vastgehouden met houten
gaffels, alsof de boot straks niettemin vertrekken zal, terug naar waar we
vandaan komen.
Thursday, December 22, 2022
“78. [T]he supreme reality is what is in truth only the unrealized Notion. […] 84. Consciousness provides its own criterion from within itself, so that the investigation becomes a comparison of consciousness with itself; for the distinction made above falls within it. In consciousness one thing exists for another, i.e. consciousness regularly contains the determinateness of the moment of knowledge; at the same time, this other is to consciousness not merely for it, but is also outside of this relationship, or exists in itself: the moment of truth. Thus in what consciousness affirms from within itself as being-in-itself or the True we have the standard which consciousness itself sets up by which to measure what it knows. If we designate knowledge as the Notion, but the essence or the True as what exists, or the object, then the examination consists in seeing whether the Notion corresponds to the object.”
Friday, December 16, 2022
Heisenberg formuleerde in 1927 het onzekerheidsbeginsel. We zeiden reeds dat, door een optelsom in het heelal, zwaartekrachten geneutraliseerd werden door de krachten van materie, licht en antimaterie. De vraag is dan, hoe kan ‘de bal van het universum’ überhaupt uit een middencirkel worden getrapt?
Saturday, November 12, 2022
In
zoverre ik korte rokjes en goedkope groene nylon slipjes draag…
Kids
zitten in de straat op de stoep, een rode bal aan de voeten, met een stok iets
aan het porren in de goot, stellen geen moeilijke vragen. Een zwarte Ferrari
rijdt voorbij. Dromen maken me bang.
Mij
papieren toesteken voor een hele hoop geld, papieren waarop doodles staan,
mannetjes met eierhoofden en streepjes voor armen en benen, papieren waarop
gedichten staan, kortom ‘bewerkte’ papieren, zo’n papieren mij toesteken op de
stoep, terwijl ook zij zich naar haar werk begeeft, zo’n papieren mij
toesteken, dat kan opgezet spel lijken, maar in dit geval was het puur toeval.
Of
althans, zo beweerde zij toch.
Zij,
dat was een mooie brunette die ik had ontmoet terwijl ik tweedehandse gitaren
aan het verkopen was. Het was het verdrietigste meisje dat ik ooit in éen gulp
een RedBull zag leegdrinken.
Haar
naam was Sarah. Ze zei dat alles begint met luisteren en dat deed ik dan ook,
luisteren naar haar en de rest van de wereld verdween rond me. Ondertussen
probeerde ze vertrouwelijke informatie te stelen, uit mijn hoofd, gegevens over
mijn bestaan, dingen over mijn karakter die alleen ik pretendeerde te weten. Ze
kon dit, I suppose, door me nauwgezet gade te slaan met die jaguarogen van
haar, die vanuit struikgewas (mijn kamerplantencollectie) het blinkende
computerscherm op mijn lessenaar reflecteerden.
Ze
woelde met haar vingers door de wanordelijke troep documenten op mijn bureau,
ze legde haar handen op een energiebol die ik had, een plasmaglobe zoals dat
heet, en dwong zo de elektrische vonk die in me zat op haar warme huid over te
slaan. Bijna, ware het niet voor het glas dat tussen haar en mij inzat.
Ik
sprak haar die dag. Toevallig zat zij in een zwarte zetel achter het stuur van
haar stoere Landrover. Ze deed haar autoraampje op een kier omdat ik haar
daartoe met een roterende handbeweging teken deed – ze had geen elektrische
bediening in die oude, gele trofeewagen van haar, maar een roestbak was het
niet. Ze droeg er zorg voor, zoals voor zoveel dingen. Zoals voor mij.
I
suppose.
Ik
sprak haar over dingen als foto’s van Courtney Love die ik bezat, over de
wiskundige staartredenering die achter E = mc2 zat en die niemand kende noch volgen
kon, maar die ik wel op een kurken wandbord had geprikt in mijn leeskamer,
alsof ik er alles over wist.
Ik
had een vouwbare bureaulamp die boven het blad van mijn lessenaar en mijn
computer torende als een plasticgehelmde, anorectische robot met een
spillenruggengraat van blinkend staal.
Inclusief
spiraalveer.
De
platitudes, banale onderwerpen waar ik het met haar over had, terwijl zij haar
handen op het stuur liet liggen en voor zich uitkeek, terwijl ik leunend tegen
haar auto haar van iets probeerde overtuigen, waren evenzovele manieren om niet
het hoofdonderwerp aan te boren dat me op de lever lag.
Toch
zei ik, niettemin, ‘Zal ik vertellen wat ze over ons zeiden, wat er over ons de
ronde ging op het feestje?’
Een
dag eerder waren we beiden op een feestje. Sofia viel me lastig door haar ogen
in mijn rug te boren telkens ik die naar haar toekeerde en mijn aandacht richting
Sarah verdeelde. Sofia viel me lastig door te vragen of ze nog een Martini
mocht. Sofia viel me lastig door me in de badkamer ongevraagd op de mond te
zoenen.
In
weinig woorden gezegd, Sofia leidde me af van mijn lijmen van Sarah.
Er
speelde muziek van Coltrane. Favourite things. Ik ging naar een
microgolfoven en warmde twee leverpasteitje met wat pommes duchesse op, propte
die in mijn mond en overwoog wat me te doen stond om me niet stierlijk te
vervelen, hier in het appartementje van Gerard waar ik beland was.
In
de mix.
Er
stond, puur voor de show van het prestige denk ik, een fotokopieermachine in de
woonkamer van Gerard, die dit feestje organiseerde. Nou, het was veeleer een
geïmproviseerd feestje anyhow. Maar er werden spelletje gespeeld met die
Xeroxmachine en daar onthield ik me van.
Zodat
ik aan een al even geïmproviseerde chromen drankkar terecht kwam en me een
gin-tonic ingoot. Sarah sprak me als eerste aan. Ze had zo’n verdrietige ogen,
leegde in éen keer een RedBull-blikje en zei, ‘Weet jij iets over de dimensie
waar je terechtkomt als je door een zwart gat wordt ingeslikt?’
Dat
ze het over een fase in haar leven had, dat ze me misschien om raad vroeg waar
ze zich naartoe had te bewegen in het vacuüm dat New York City geworden was,
wist ik niet en werd me pas later duidelijk. Ik dacht er alleen maar aan
bijdehand, ad rem te zijn en antwoordde daarom, ‘Nee, maar als het lijkt op dit
soort bijeenkomsten, deze lui onderling, in deze slordige woonkamer, dan is het
niet veel beter dan wat wetenschappers voorspellen wat er gebeurt in zo’n
geval.’
‘O
ja?’ vroeg het meisje, ‘En wat is dat dan?’
Ik
slikte het laatste restje leverpastei van tussen mijn kiezen door en antwoordde,
‘Je wordt uiteengereten.’
Het
meisje begon te lachen en vroeg mijn naam. ‘Jerry,’ zei ik, ‘en jij?’
‘Sarah.’
Ik
droeg een geel overhemd en bij Sarah hing er, geloof het of niet, een zwarte
stropdas met PacMans erop rond haar nek, het leken wel smileys van indertijd
bij acid house en new beat zoals die hot en her tot logo’s, tot zwierige
krullen in chats en e-mails uitgegroeid waren.
‘Ja,
onze entourage is op sterven na dood,’ zei Sarah terwijl ze met een
veelbetekende, doch uiterst neutrale blik teken deed rond ons heen. Ik voelde
nog steeds de ogen van Sofia in mijn rug.
‘Hopelijk,’
zei ik, ‘hopelijk vind je het hier niet even doods als toen je de BadMonkey
binnenstapte. Ja, ik herinner me je nog.’
‘Oh,
hoezo?’ vroeg Sarah.
‘Nou,
je kwam toch om een gitaar de andere dag?’ zei ik. Ik baatte nu eenmaal de BadMonkey
uit, een tweedehandsgitaarshop, ik had het er al over.
‘Ja,
maar hoezo, ‘niet even doods’?’ wilde Sarah weten.
‘Nou,
er waren bijzonder weinig klanten en wie weet wat vond je nou écht van de
jongeman die achter de toonbank stond om al die gitaren te verpatsen,’ vroeg
ik.
‘Je
bedoelt jezelf?’ vroeg Sarah.
‘Yes,’
zei ik.
Ik
wist dat ik om een complimentje viste. Ze aarzelde even en sprak, ‘Oké, ik zal
me schikken. Nee, je was best leuk, leuker en nieuwer dan al die opgelapte
gitaren aan de muur en in de rekken alleszins,’ en terwijl ze dit zei, streelde
ze een bruine lok van haar haren uit haar ogenveld, en ik was verkocht.
‘Maar
wat ís het dan, dat ze over ons zeiden, als je dat per se wil delen met me?’
riep Sarah die dag doorheen het kiertje in haar opengewrikte autoraampje, nog
steeds in haar Landrover maar opgeschrikt vooroverschietend waarbij ze zich
geïrriteerd weer in haar zetel liet terugvallen, evenwel nog steeds met haar handen
op het stuur en het sleuteltje werkeloos in het zilveren contactslot rechts van
haar.
U
kan het wel bijeenpuzzelen dat we een ruzie hadden gehad. Wel, het draaide om
een onenigheid over de spiegel die ze me had voorgehouden, in de zin dat ze me
verweet dat ik nooit naar haar wilde luisteren als ze zei dat ze een
waarzegster haar drie kinderen in aardse vorm had voorspeld.
Ik
wilde geen kinderen. Ik geloofde niet in waarzegging, ik lachte haar ronduit
uit. Dat kon Sarah niet velen: zo kon ze me niet aanbevelen bij de Spirit in de
sky waar ze onder meer in geloofde. Ik moest erom glimlachen. En dat, dat was
een dealbreaker.
Sarah
maakte me dit uitvoerig kenbaar door vervolgens de randlijnen van een nog
groter drama uit te tekenen door het komende halfuurtje mijn algeheel gebrek
aan geloof in de rust en oprechtheid van het leven en haar vruchtbaarheid op de
korrel te nemen.
Waarom
en hoe? Ze zei namelijk dat menige priesteres ooit prostituee was geweest,
dienstbaar aan een godsdienst en bekleed met een heilig karakter.
… gerespecteerd door hun klanten, verre van infaam of schandelijk geacht omwille van hun roéping, een uitoefening van meer dan gewone deugd en beloond met een hulde van bewondering, medelijden en zelfs aanbeden, niet minder dan wie tegenwoordig om heel andere redenen in het klooster gaat door aan de natuurlijke functie van zijn of haar geslacht voorbij te gaan…
The Golden Bough
Wat ze zei, kwam zomaar uit de lucht vallen en ik zei, ‘Je doet alsof je zelf een hoer bent geweest.’ Waarop een vreselijke stilte viel. De waterlanders kwamen. ‘Ik oefen alvast voor een kind,’ snikte ze, ‘door naar de Teletubbies te kijken en jij, jij ligt daar maar te suffen in de divan en lacht met me…’
‘Maar…’
probeerde ik terwijl ik had aan te zien hoe Sarah ermee strugglede zich
verstaanbaar te maken.
‘Je
geeft mij niet de aandacht die ik verdien als ik, in mijn négligé godbetert, om
jouw tijd vraag,’ vervolgde ze, ‘Ik ben blijkbaar alleen goed om in de keuken
tussen potten en pannen de korsten van je pizza’s weg te gooien.’
Sarah
en ik waren op een punt in onze relatie gekomen waarop zij alleen goed was om
de opbrengsten van mijn voortdurende geheugenverlies op haar te nemen en af te
schrijven op een borg die ik niet vervullen wilde.
Of
kon.
Ik
was sprakeloos. Even geloofde ik dat dit meisje een spelletje met me speelde en
de gedachte kwam al in me op dat het zeker die tijd van de maand was waarop
alle dingen uit hun context losschoten en dat de spiegels begonnen te rimpelen
omdat je er te dicht bij in de buurt kwam.
Maar
ik zweeg, als ik had gezegd wat door mijn hoofd ging, zou Sarah zeker iets
giftigs hebben genoteerd als ‘Als ik zou wensen nooit te sterven, dan kan jij
maar beter niet in mijn buurt zijn, of ik zou willen sneuvelen zoals een
zonnebloem waarvan het hoofd wordt afgesneden.’
As
a matter of fact, ze zei dit ook daadwerkelijk en wel even giftig, maar dat was
alleen maar omdat ik met mijn mond vol tanden stamelde dat de stoffelijke
resten van een sybille of waarzegster wel eens werden opgehangen in een tempel[1].
En
wanneer een groep vrolijke kinderen, moe misschien van het ravotten op het
plein onder de opgehangen urne kwamen staan en vroegen wat de wens van de
sybille was, en dat deze dan met een holle, enge stem antwoordde, ‘Ik wou dat
ik kon sterven.’
Ik
wilde hiermee doelen op de waarzegster waarvan ik vermoedde dat die vrouw (of
man) wel eens aan de basis van deze emotionele uitbraak bij Sarah kon liggen. Bleek
dat Sarah bij die waarzegster in ieder geval en onder ieder beding voor
onsterfelijkheid een wens had uitgesproken. Ik kreeg dientengevolge de volle
laag het volgende kwartier.
Oeps.
Maar
ik maakte het nog erger door te zeggen dat iedere oud-Egyptenaar twee namen
kreeg, de echte naam en een ‘goede naam’. Waarom ik het hiermee nog erger
maakte, was omdat ik er verklarend aan toevoegde dat zij zeker een beroepsnaam
had gehad en welke die dan was, want ik werd hoe langer hoe nieuwsgieriger.
Was
het Jewel? Porsche? Bambi?
Het
was nu eenmaal zo dat die eerste, ‘echte naam’ zorgvuldig verborgen werd
gehouden om de eigenaar ervan te beschermen tegen bad juju, tegen slechte
magie, omdat zwarte totems bijvoorbeeld alleen effectief waren als men
beschikte over de echte naam van je tegenstander of vijand.
En
ikzelf was hier de vijand met de slechte magie geworden. Hoe dan ook, om een
lang verhaal kort te maken, zoals ik het hier vertelde, met die ‘vreselijke
stilte’ die viel na mijn onhandige suggestie dat zij ooit een lichtekooi zou
zijn geweest, zo kwam aan het licht dat Sarah inderdaad ooit had bijgeklust als
escortmeisje.
En
daar schaamde ze zich blijkbaar verschrikkelijk voor, hoewel ikzelf het
fenomeen niet eens zo rampzalig vond. Ze vervulde zo, rekende ik snel, alvast
een van de voorwaarden, een prinses in gezelschap, een kokkin in de keuken en
in de slaapkamer, wel tja…
Nou
ja, we kregen een enorme ruzie. Ik zei nog wel dat ze op het feestje van Gerard
hadden gezegd dat Sarah er prachtig en gedistingeerd had uitgezien. Maar het
fragiele zee-ijs waarop ik me met mijn ijsbreker al had begeven, bleek
levensgevaarlijk. Het was alsof ik de mummie van haar schaamte aan het
afwikkelen was, benieuwd hoe ze er onder die ‘stinkende’ windsels uitzag, en of
haar ziel nu nog wel even licht als een veer van een ibis kon wegen, of er een
plekje voor haar in het bootje dat naar de sterren vaarde, gereserveerd kon
blijven.
Maar
Sarah wilde mij een mep verkopen, al verhinderde een letterlijk ongemakkelijke
window of opportunity (haar autoraampje) haar van succes daarin, temeer omdat
ik op tijd terugdeinsde.
‘Wat
wil je dan,’ vroeg ik, ‘perfectie? Iedereen heeft zijn ruwe kantjes. De
menselijke natuur is een doelwit in een circus, geplaagd door de grillen en
veranderlijkheden van het dagelijkse leven en door het noodlot als een
geblinddoekte vrouw die op een draaiend rad de messen naast haar hoofd en
vingers voelt suizen en zich vastgrijpen in het hout waaraan ze vastgebonden
hangt.’
Maar
zij barstte uit en zei, ‘Als jouw mannelijkheid nog een sprankel of een vonk
van waardigheid zou bezitten, zou je niet zo surrealistisch reageren op mijn
bekentenis hier. Hoe kan je de waarheid verdragen?’
Ik
gokte er in feite op dat ik haar trots kon breken, terwijl zij dat ondanks alle
schijn tegen ook probeerde met mij. Ik weet niet of u dat begrijpen kan. Het is
iets Freudiaans. Ze wilde aan de ene kant een deftig meisje voor me zijn, maar
aan de andere kant wond het haar op dat ze de ervaring en de automatismes nog
bezat om me op de onmogelijkste ogenblikken te verleiden, een rol in een groots
opgezette productie van promiscuïteit te spelen, hier en nu en, ten derde, mij
met mijn mannelijkheid tot een duik in het onbekende te dwingen.
Maar
iets in mijn kortstondig geheugen, dat me op de meest wispelturige ogenblikken
in de steek liet en zo ook nu, speelde op.
Want
in plaats van Sarah verder gerust te stellen, begon ik koortsachtig de gaten en
kieren te dempen die, mijns ondanks, nu overal begonnen te verschijnen in mij,
lekken die verraadden dat ik, ondanks alles, een nogal ouderwetse visie bleek
te bezigen aangaande vrouwen van de nacht en van het rode licht.
‘Wat
vies,’ zei ik.
‘Hè,’
schrok Sarah, ‘wat bedoel je, wat is er vies?’
Mijn
moraliteit stond hier ter discussie. Dat ik mij bedreigd voelde, dat ik
huiverde en al aan het terugwijken was voor haar plots mij nogal opdringerig
aandoende persoonlijke idiosyncrasieën.
Ik
dacht aan haar net iets te gigantische oorringen soms, haar opgestoken haar,
het riempje van haar beha dat zich onder haar veel te losse wollen pullover wel
eens kwam verraden, net ogenschijnlijk iets sneller dan ik op zo’n ogenblik
verwachtte.
Het
web van de kruisspin in Sarah spande zich voor mijn dwaas wordende gezicht en
ik wist alleen te zeggen, misschien deed ik het wel opzettelijk om haar te
raken, te ergeren en te vernederen, ‘Misschien heb je de idee om te wachten op
me in bed, stap dan uit die Landrover van je en maak je klaar.’
Ik
zei het op een sarcastische manier omdat de hele situatie me ineens verveelde. ‘Wat?’
barstte ze uit.
‘Ik
kom straks, ik moet alleen nog even naar mijn werk, naar de BadMonkey
want het is mijn shift, en een bordje Gesloten wegens omstandigheden
voor de deur hangen. Of misschien kom je liever dáar?’
‘Wat?’
barstte ze uit.
‘Je
wilde toch kinderen,’ merkte ik op.
Het
was waarschijnlijk mijn falende kortetermijnintelligentie die mij niet toeliet
in te zien wat er zich zonet tussen ons afspeelde, haar eerlijkheid, haar
poging tot ontboezeming die zich, hoe onhandig ook, aan het voltrekken was, het
besef dat ik haar zonet nog aan het troosten was en dat ik, wat ik ook deed, nu
zeker geen verkeerde insinuaties mocht droppen in haar bijzijn.
Ze
snikte, ‘Ik gedraag me alsof ik geen problemen heb met lichamelijkheid, maar nu
ik je antwoord heb, moet ik zeggen dat seks me, opnieuw, rancuneus, smerig en
verfoeilijk toeschijnt.’
Ik
begreep er weinig tot niets van.
Ze
zei, ‘Kom naast me in de auto zitten.’ Waarop ik, zo onhandig mogelijk, ‘Oké, dat
gaat, maar ik voel een erectie opkomen en jij wil stoom afblazen.’ Wat ik zei,
was naar waarheid. Niet de mogelijkheid die ik, vrijpostig, suggereerde. Wat ik
had gezegd, was eerder lief, grappig en ironisch bedoeld dan beledigend en
compromitterend.
Dient
het gezegd, dat ze met haar Landrover in opspattend grind van de oprit wegknarste.
‘Stik!’ hoorde ik haar roepen. Het was alsof ik voorovergestruikeld in een
gigantische onverwachte plas regenwater viel, of alsof iemand een emmer met
slijm in mijn gezicht kieperde.
Ik
keek haar na, ging naar de BadMonkey en deed mijn shift alsof er
helemaal niets gebeurd was. Ik was alles al vergeten.
De
volgende dag kwam Sarah nog terug bij mij thuis, maar dat was om haar spullen
op te halen, haar lipgloss inclusief, haar sexy ondergoed, haar boeken, haar
haardroger en een plastic tupperware met vier komkommers erin voor haar veganistisch
lijntjesdieet, waarvoor ik haar altijd al, dwaas die ik was, bekritiseerd had.
Ik
dacht dat ze het wel gezien had met mij, en ik had gelijk.
Ik
was te verbouwereerd en te verward om iets vergoeilijkends te verzinnen en haar
bij me te houden. Over mijn aandoening, mijn short-term memory loss, praatte ik
niet. Omdat ik me in die tijd er nog niet zo bewust van was, ook nog niet bij
een geneesheer in behandeling was.
Zij
stormde de kamer uit, de drempel over, waar ik haar achteraf gezien best op een
dag óver had willen dragen en, opnieuw, haar gele Landrover in.
Daar
stond ik dan.
De
volgende dag, terwijl ik naar mijn werk wandelde, kwam haar Landrover eraan
gescheurd, stopte met gierende remmen vlak bij me. Sarah stapte uit, stapte op
me af en overhandigde me een doos sjokvol beschreven papieren. Ik had het er al
over.
Voor
ik het wist, was Sarah alweer weggeraasd, ze riep alleen nog, ‘Je begrijpt dit
zeker niet. Nou, beschouw het als puur toeval en misschien kan je ze verpatsen
voor geld aan de boulevardpers.
Dick.’
Ik
dacht bij mezelf, verdomme, ze geeft me haar dagboek en ik had geen ongelijk.
Nu zit ik hier in mijn leeskamer haar dagboek na te lezen en ik sta verbaasd
over de nou ja, vunzigheden van haar escorteverleden die ik erin aantref. Ik
sta verbaasd dat het me zo schokt, dat ík zo puriteins blijk te zijn.
Hoe
dan ook, er staan ook allerlei erg ontroerende dingen in, biechten die getuigen
van een groot in-tune-zijn met een wereld van haaien en parasieten, haar
klanten. Bekentenissen die getuigen van een groot en edelmoedig karakter van
een meisje dat het hoofd boven water probeert te houden.
Het
schrijven getuigt ook van een onmetelijke intelligentie, alleen raar dat Sarah
mijn geheugennecrose dan niet onderkennen kon. Tja, uiterlijkheden misleiden.
Ik
zit nu aan het einde van de kartonnen doos met dagboekpapieren, allemaal netjes
beschreven in hetzelfde mooie schuine, klassieke handschrift. Een laatste entry
is de volgende…
… gerespecteerd door hun klanten, verre van infaam of schandelijk geacht omwille van hun roéping, een uitoefening van meer dan gewone deugd en beloond met een hulde van bewondering, medelijden en zelfs aanbeden, niet minder dan wie tegenwoordig om heel andere redenen in het klooster gaat door aan de natuurlijke functie van zijn of haar geslacht voorbij te gaan…
The Golden Bough
Ik heb Sarah nooit meer gezien.
[1] van Apollo te Cumae bijv.
https://www.facebook.com/share/v/19iVZT8Uiy/
-
https://www.youtube.com/watch?v=5pTcio2hTSw&pp=ygUOc3V6dW1lIHRyYWlsZXI%3D
-
Why was it abandoned at a given moment by the Greeks, for example? – J. Derrida, Of Grammatology, Part II: Nature, Culture, Writing – From...
-
The relativization of our sociology by the scientific collection of cultural forms that we are destroying in the world, and also the analy...




.jpg)

.jpg)




